Ontwormen kleine herkauwers

Kleine herkauwers (schapen en geiten)

Wat betreft de gebruikte wormmiddelen geldt hiervoor hetzelfde als bij de runderen. Tegen fenbendazolen komt veel resistentie voor en dus worden vaker de ivermectine-achtigen ingezet. Maar ook daar is veel resistentie tegen! Het is bij de kleine herkauwers nog meer gewoonte om standaard te behandelen tegen maagdarmwormen, dus ook hier zou het goed zijn om meer op indicatie (mestonderzoek) dan preventief te gaan behandelen.

Voor schapen geldt dat ongeveer 25% van de koppel zorgt voor 75% van de wormbesmetting. Wanneer die 25% behandeld wordt zou de infectie onder controle zijn en er genoeg weerstandopbouw plaatsvinden. Echter, het vinden van deze dieren is praktisch niet uitvoerbaar, dus moeten we zoeken naar een betrouwbare manier van steekproefsgewijs vaststellen van de mate van infectie.

Strongylus type wormen:

Na het aflammeren een steekproef mestmonsters nemen van de volgende groepen: de enters, de magere schapen en de schapen met 3 of meer lammeren (de oudere schapen met 2 of minder lammeren scheiden doorgaans minder eieren uit). Wanneer er een epg > 750 uitkomt, dan de betreffende groep dieren behandelen. Wanneer behandeling wordt uitgevoerd, behandel dan 95% van de dieren, om toch een kleine maagdarmwormpopulatie te behouden die niet met het middel in aanraking is geweest. Zo wordt de kans op resistentievorming minder. Maar in het kader van minder belasting van het bodemleven heeft het behandelen van de hele koppel natuurlijk geen voorkeur. Schapenbedrijven die langere periode schapen rondom lammeren binnen huisvesten kunnen besluiten om worm-eitellingen enkele dagen voor weidegang uit te voeren. De ei-uitscheiding kan intussen verlaagd zijn doordat het afweersysteem optimaler functioneert. Bij het binnen afmesten van lammeren is het de vraag of ontwormen van ooien überhaupt nodig is, ook bij hogere eitellingen.

Ook voor de rest van het jaar geldt dat van de verschillende groepen dieren steekproefsgewijs mestmonsters genomen dienen te worden en op basis van epg besloten dient te worden om al dan niet te behandelen. Wanneer er behandeld moet worden, gebruik dan een middel wat nog niet eerder is gebruikt en 10-14 dagen na het ontwormen controle via de mest met betrekking tot de werkzaamheid van het gebruikte middel. Gebruik het middel Zolvix echt als laatste redmiddel. Wanneer hier resistentie tegen ontwikkeld wordt is dit binnen korte tijd niet meer bruikbaar.

Verder is preventief omweiden naar schone weide een beproefd middel om de worminfecties laag te houden, maar wel op zodanig niveau dat er een goede weerstandopbouw plaats kan vinden. In de zomer elke 14 dagen, in voor- en najaar iedere 3 weken omweiden. Niet binnen 3 maanden terugkomen op het perceel waar dat jaar schapen hebben gelopen. Tussentijds maaien of vooruit weiden van andere diersoorten als paarden kan helpen om infectiedruk op de weide te verlagen. Dit maakt het perceel niet schoon maar veiliger. Monitor mest vanaf juli en/of vier weken na inscharen in een onveilige weide.  Een goed weideplan kan helpen om gebruik van wormmiddelen uit stellen of zelfs te voorkomen. Ook is het goed om te beseffen dat vooral lammeren en enters (jaarlingen) de risicogroep vormen.

Lintworm:

Ontworming is niet nodig!

Nematodirus:

In principe hoeft er niet ontwormd te worden, tenzij het vroeg in het voorjaar is of later in het najaar in combinatie met klachten (waterdunne diarree of dode lammeren, meestal zonder eieren in de mest). Wanneer er wel eieren in de mest worden gevonden, gaat de immuniteitsopbouw goed en hoeft er, bij ontbreken van klachten, zeker niet ontwormd te worden. Zijn er wel klachten (nazomer), dan is behandelen met benzimidazolen aan te raden. Deze hebben ook geen effect op de mestfauna.

Met dank aan Debora Smits en Nienke Snijders-van de Burgwal van GD